“Groter denken, kleiner doen” – Herman Tjeenk Willink

Introductie voor de Transformation Dialogues op donderdag 12 september 2019 in de Balie te Amsterdam.

De aanleiding voor Bercan Günel om mij uit te nodigen voor deze bijeenkomst – een uitnodiging die ik met buitengewoon veel plezier heb aanvaard – is het verschijnen van mijn boekje ‘Groter denken, kleiner doen’. Ik geef graag een korte toelichting op de belangrijkste elementen als context voor het debat.

1.       Kernboodschap is dat het functioneren van de overheid zelf de democratische rechtsorde aantast. Is dat erg? Ja, want de democratische rechtsorde is niet alleen een fundament voor een stabiele en gematigde samenleving, maar is ook nog een van de weinige verbindingen die ons bijeen houdt. Geloof en levensovertuiging vervullen die rol niet meer, of althans in mindere mate dan vroeger, en de institutionele verbindingen uit het verzuilingstijdperk – de verbindingen tussen maatschappelijke instituties en hun vaste achterban, tussen maatschappelijke instituties en de overheid en tussen politieke partijen en hun achterban – zijn geërodeerd. We hebben verzuimd na te denken over de verbindingen die daarvoor in de plaats moesten komen. Sterker nog, we hebben allerlei bestaande verbindingen bewust verbroken (opheffen gemeenten, sluiten wijkbureaus politie, samenvoegen rechterlijke colleges) of onbewust uitgehold. Zo zijn we ons onvoldoende bewust geweest dat het denken in markttermen verbindingen aantast?

2.       De democratische rechtsorde is een inclusief concept. Dat klinkt abstract maar is het niet. Democratie is de erkenning van diversiteit; ruimte geven ook aan degene met wie je het niet eens bent. Recht staat voor zekerheid en gelijkheid voor de wet. Wat komt van beide in de praktijk terecht? Het gaat bij de democratische rechtsorde grof gezegd om de spelregels voor de wijze waarop de overheid met ons en wij met elkaar omgaan. Zonder gemeenschappelijke spelregels is er geen verbinding en valt de boel uit elkaar. Die spelregels zijn gebaseerd op fundamentele beginselen en waarden, die in de loop van de decennia en eeuwen, met discussie en strijd onze gemeenschappelijke basis zijn gaan vormen: gewetens – en geloofsvrijheid en de daarmee verbonden vrijheid van meningsuiting, redelijkheid en gematigdheid, het besef het met elkaar te moeten rooien en mensenrechten. Die waarden worden bewaakt door staatkundige instituties en ambtsdragers die elkaar in evenwicht houden en elkaars tegenwicht vormen. Die instituties – parlement, rechterlijke macht, uitvoeringsorganisaties, adviescolleges – hebben we verwaarloosd. De verschillende ambtsdragers weten vaak niet meer wat hun functie precies inhoudt (de politicus, de bestuurder, de ambtenaar). Daar hebben ook bedrijven last van. Want wat mogen ze van die ambtsdragers verwachten?

3.       Waaruit blijkt die aantasting van de democratische rechtsorde door het functioneren van de overheid zelf? Ik geef vier voorbeelden.
• Als in een tijd dat het economisch goed gaat de ongelijkheid, de scheidslijnen tussen de haves en de havenots (en dan gaat het om meer dan geld) scherper worden tast dat het rechtvaardigheidsgevoel aan en is dat een uitholling van de democratische rechtsorde . Sinds wanneer is het normaal dat, terwijl de economie floreert het aantal dak en thuislozen fors toeneemt en ruim 30% van de bevolking niet zozeer boos is, maar wel ongerust omdat ze het gevoel hebben geen greep meer te hebben op hun eigen toekomst?

• Als boven en onderwereld steeds meer met elkaar vervlochten raken (Amsterdam/Brabant) is dat een directe bedreiging van de rechtsstaat.

• Als de professional op de werkvloer (de dokter, de leraar, de politieagent) steeds meer het gevoel heeft dat zijn professionaliteit niet wordt erkend en vertrouwd, tast dat de legitimiteit, de geloofwaardigheid, van het overheidsoptreden aan. Al was het alleen maar omdat professionals afhaken. Als huisartsen alleen nog willen waarnemen, verdwijnt een essentiële voorwaarde voor goede zorg: de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt.

• Als de toegang tot het recht ongelijk dreigt te worden (bijvoorbeeld door hoge griffierechten) en de greep van het bestuur op de rechter (ik laat het OM nu maar terzijde) toeneemt, wordt het evenwicht binnen de ‘trias politica’– toch al aangetast door de symbiose tussen politiek en bestuur – verder doorbroken; een uitholling van de democratische rechtsorde.

Uit de voorbeelden zal duidelijk zijn dat deze uitholling risico’s oplevert, ook voor het vestigingsklimaat.

4.       Mijn betoog is steeds geweest dat de verschillende vormen van uitholling niet los van elkaar staan. Ze hebben dezelfde oorzaken en ik noem er drie:

• Sinds het begin van de jaren 80 is de overheid steeds meer ten dienste komen te staan van de economische welvaart via de private sector, met daarbinnen een steeds grotere rol voor de financiële instellingen. Op bevordering van de economische welvaart via de private sector was het beleid gericht: lagere lasten op kapitaal dan op arbeid, verlaging van de directe belastingen (naar draagkracht) en verschuiving naar indirecte belastingen (voor ieder gelijk), financiële ‘incentives’ voor het bedrijfsleven om te doen wat de overheid in het algemeen belang nodig acht, meer accent op het aandeelhouderschap – met nadruk op winst – dan op ‘stakeholdervalues’, verlies aan invloed van georganiseerde werknemers. Ook de goedkoop geld politiek van de ECB is op het aanjagen van economische groei gericht. Maar ook die politiek verscherpt de verschillen, doet de schuldenberg groeien en tast de koopkracht aan. De vooronderstelling bij deze nadruk op economische groei was (en is): als het economisch goed gaat is een voorwaarde voor een liberale democratie vervuld en hoeven we ons over de democratische rechtsorde geen zorgen te maken (NB 1989 val van de muur). Die vooronderstelling blijkt steeds meer onjuist. Daar komt nog iets bij. Een overheid die ten dienste staat van economische welvaart via de private sector wordt – evenals werknemers trouwens – een kostenpost. Als economisch minder gaat – los van de oorzaken daarvan – moet de overheid bezuinigen. Zo is te verklaren dat de afgelopen decennia de nadruk heeft gelegen op wat de overheid, om financiële redenen, niet meer zou kunnen doen in plaats van op wat de overheid in een democratische rechtsorde wel moet doen.

• De tweede oorzaak van de uitholling van de democratische rechtsorde door de overheid zelf is de opvatting dat de overheid een bedrijf is met producten en klanten, kosten en baten. Dat is wellicht ook een verklaring voor de bedrijfsmatige kijk op de overheidsfinanciën en de staatsschuld. Een kijk waarop steeds meer kritiek komt (eindelijk!). Door privatisering en uitbesteding van taken zou de publieke dienstverlening beter worden. Ook die vooronderstelling blijkt meestal niet uit te komen. De overheid is geen bedrijf maar vertegenwoordigt en verdedigt waarden. Die waarden stellen eisen aan functioneren van de wetgevende, uitvoerende en de rechterlijke macht.

• De derde oorzaak van uitholling van de democratische rechtsorde door de overheid zelf is het door elkaar lopen van publieke en private verantwoordelijkheden, gevolg van verzelfstandiging en privatisering van publieke taken. Resultaat: onduidelijkheid over de (politieke) verantwoordelijkheden, een groeiende tussenlaag tussen de politiek verantwoordelijke minister en de professional op de werkvloer, een dramatische terugloop van de inhoudelijke deskundigheid op de departementen en een grotere afhankelijkheid van de overheid voor zijn eigen functioneren van private partijen.

Er is maar één conclusie mogelijk: de weg van de overheid als bedrijf, waarin publieke en private sector verknoopt zijn geraakt en de volle nadruk ligt op economische welvaart via de private sector loopt dood. De overheid is steeds minder in staat haar taak naar behoren te vervullen. Dat wordt de laatste jaren ongeveer dagelijks zichtbaar, bijvoorbeeld in de ‘bestuurlijke ontsporingen’(belastingdienst, ICT-projecten, reorganisatie politie, aanpak aardbevingsschade Groningen, achterstallig onderhoud aan bruggen en sluizen). Dat zijn geen incidenten. De maatschappelijke schade wordt te groot en het vertrouwen van burgers in de overheid slinkt.

5.       Er is dus een ‘paradigmawisseling’ nodig van een overheid ten dienste van de economische welvaart via de private sector terug naar een overheid ten dienste van de democratische rechtsorde. Wie die noodzaak niet ziet, moet kijken naar wat in Groot-Brittannië gebeurt, waar de weg die door Thatcher 40 jaar geleden doelbewust werd ingeslagen – meer markt, minder overheid – te lang is voortgezet. Daar zie je dat door het denken, ook in de politiek, in kosten en baten op korte termijn het zicht op het algemeen belang is verduisterd en de politieke functie is zoek geraakt.

De noodzakelijke paradigmawisseling is meer dan een kwestie van geld voor publieke voorzieningen, waaraan naar verluidt het kabinet nu denkt om de meest zichtbare achterstanden die de afgelopen jaren zijn opgelopen op te vangen. Hoe belangrijk dat ook is. Het gaat om een anders kijken naar- en een anders denken over de overheid. Ben Verwaaijen verwoordde het begin dit jaar zo: ‘De ideeënvorming staat al 40 jaar stil (…). We kunnen niet meer zeggen: we willen lagere belastingen en een kleinere overheid. Dat is onzin (…). De verschillen tussen de haves en havenots dreigen veel te groot worden’. We moeten alsnog de vragen stellen die we 40 jaar geleden, toen de ontzuiling doorzette, hebben laten liggen. Wat bedoelen we als we zeggen dat de democratische rechtsorde een normatief concept is dat ‘insluit’ (ieder telt mee) en niet ‘uitsluit’? Wat betekent dat voor de rol van de overheid bij de invulling van de sociale grondrechten? Wat is bijvoorbeeld de betekenis van artikel 19 eerste lid van de grondwet (bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid) als de markt dat werk niet levert, groepen uitsluit of werkenden als kostenpost worden gezien (Nederland is het land met de meest geflexibiliseerde arbeidsmarkt)? Als de democratie die erkenning is van diversiteit, wat komt daarvan dan terecht, ook in het bedrijfsleven? Is het bedrijfsleven een pijler onder of een obstakel voor de democratische rechtsorde? Dat is de vraag die vanochtend aan de orde is.

6.       ‘De democratische rechtsorde is de enige staatsvorm, die tot vreedzame evolutie in staat is en daarvoor ook bedacht is’ (Jan Vis). Dat is belangrijk als fundamentele problemen effectief moeten worden aangepakt en nieuwe crises het hoofd moet worden geboden. Dan komt het aan op de verbinding en het vertrouwen tussen burgers, overheid en bedrijfsleven. Hoe draagt het bedrijfsleven daaraan bij?

Om een pijler onder de democratische rechtsorde te kunnen zijn is ook bij bedrijven het besef nodig dat concurreren en consumeren moeilijk samengaan met samenwerking en solidariteit. Als we dat laatste willen – de democratische rechtsorde gaat daarvan uit – moeten we paal en perk stellen aan het eerste. Is het bijvoorbeeld wel zo logisch dat de basisgezondheidszorg – de huisarts, de wijkverpleging – onder de mededingingswet valt?

Om een pijler onder de democratische rechtsorde te kunnen zijn is daarnaast het besef nodig dat evenwicht en tegenwicht – evenals samenspraak en tegenspraak, macht en tegenmacht – sleutelbegrippen zijn in de democratische rechtsorde. De laatste decennia zijn evenwichten doorbroken, niet alleen binnen de overheid maar ook tussen overheid en burgers. De overheid is steeds meer van de – competent geachte – burger gaan verwachten, maar waarop de burger bij de overheid mag rekenen is onzekerder geworden. Niet voor niets pleit Kim Putters voor een nieuw ‘sociaal contract’.

Ook het evenwicht tussen overheid, markt en maatschappelijke organisaties die noch commercieel noch gouvernementeel zijn (vroeger het maatschappelijk middenveld genoemd) is doorbroken. De publieke ruimte voor maatschappelijke initiatieven is ingeperkt door de vaak gedetailleerde voorwaarden die overheid stelt en het verbod om het commerciële mechanisme van vraag en aanbod te verstoren.

En tenslotte – misschien voor vanochtend het belangrijkste – is het evenwicht tussen kapitaal en arbeid, waarop de (weder-)opbouw van de samenleving na de oorlog was gebaseerd, sinds de jaren 80 doelbewust doorbroken. In zekere zin was er sprake van contractbreuk. Lusten en lasten, rechten en plichten werden verschoven (zie hierboven). Het algemeen belang raakte uit het zicht. Dat heeft geleid, weten we nu, tot ongelijkheid en onzekerheid; onvrede en verzet. Hoe kijkt u zelf in terugblik tegen die ontwikkeling aan? Hoe houdt u voeling met wat er in de maatschappij gaande is? Het maatschappelijk sentiment ten aanzien van het bedrijfsleven – de banken voorop – wijzigt snel. Voor mij was niet het voorstel tot afschaffing van de dividendbelasting verrassend – het voorstel paste in het stramien van de afgelopen jaren – maar het politieke en maatschappelijke verzet daartegen. Hetzelfde geldt voor het voorstel voor een systeem van subsidies en boetes voor de industrie in plaats van een CO2heffing. Het paste volstrekt in het bestaande patroon, maar riep direct na de presentatie maatschappelijk en politiek verzet op. 10 jaar na de financiële crisis toen de politiek geen andere keuze had dan banken overeind te houden op kosten van de belastingbetaler, waren die twee voorstellen druppels die de emmer deden overlopen. Want, de banken mogen dan weer ‘boven Jan’ zijn, de bedrijven mogen op volle capaciteit draaien en de bonussen voor CEO’s mogen weer stijgen, de meeste burgers hebben van verbeteringen weinig gemerkt. Voor velen is de onzekerheid over de toekomst sinds 2008 toegenomen. Waarom heeft het georganiseerde bedrijfsleven dat onvoldoende tijdig gezien? Hoe gaat hij met het nieuwe maatschappelijke en politieke sentiment om? Is het bedrijfsleven in staat een nieuwe positie te kiezen en van daaruit bij te dragen aan het vinden van nieuwe evenwichten? En dan gaat het om:

•  een minder eenzijdige verdeling van financiële lusten en lasten (Rutger Bregman in Davos);

•  het niet langer vooruit of afschuiven van de rekening voor de klimaattransitie (PAS);

•  een nieuwe visie op arbeid – niet alleen als kostenpost maar als ontplooiingsmogelijkheid voor iedereen – en op een inclusieve arbeidsmark met goede contracten;

•  een correctie op het aandeelhoudersmodel van de afgelopen 30 jaar;

•  duidelijkheid over de eigen normen en waarden en dus het maatschappelijke doel van de onderneming;

en vandaaruit:

•  ruimte bieden aan maatschappelijke initiatieven die verbindingen in de samenleving versterken.

Vanuit haar eigen praktische ervaring bij PostNL zal Herna Verhagen zeker op een aantal van deze punten ingaan.

Het kiezen van een nieuwe positie is een voorwaarde voor herstel van evenwicht en het behoud van een democratische rechtsorde die ook een sociale rechtsorde is. Dat is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. ‘Natuurlijk is van belang dat de economie sterk is. Maar een voorwaarde daarvoor is dat de democratische rechtsorde sterker wordt. Dat zou niet alleen de overheid zelf, maar zouden ook het bedrijfsleven en alle burgers scherper moeten beseffen’ (pagina 116).

– H. D. Tjeenk Willink

Het boek ‘Groter denken, kleiner doen’ bestelt u hier. 


Would you like to receive our newsletter?